Karper in de lens.

 

Op de laatste vergadering/samenkomst viel het me op hoeveel mensen nog met een pak vragen zitten in verband met fotografie. De meeste karpervissers hebben een heel duur fototoestel in hun tas steken maar benutten het nauwelijks voor en fractie van de mogelijkheden. Jaarlijks worden trekt iedereen een pak foto’s van zijn vangsten, toch zijn het steeds weer dezelfden die de mooiste plaatjes schieten. Heel wat kiekjes van recordvangsten zijn van zo’n danige teleurstellende kwaliteit dat de visser in kwestie er niet mee voor de dag durft te komen....

Ik zal trachten de kennis en ervaring die ik heb te delen met jullie. Niet dat ik mezelf zie als een door de wol geverfde fotograaf, eerder als een liefhebber - amateur, maar ik hoop wel in staat te zijn jullie wat bij te brengen. Waarschijnlijk, want ik weet echt niet waar ik ga eindigen, wordt dit stukje te lang voor één magazine. Indien zo, dan krijgen jullie in het volgende boekje het vervolg. Misschien mag het begin voor velen wat simpel en eenvoudig lijken. Ik hou het in het begin het niveau met opzet makkelijk opdat je later kan teruggrijpen naar termen die ik in het begin verklaard heb.

Welk soort camera en welk merk dien ik aan te schaffen?

Eerst en vooral, welke soorten camera’s bestaan er, welke soort kan wat en wat niet.

Bij de kleinbeeldtoestellen, (filmformaat 24 X 36 mm), onderscheiden we twee hoofdtypes: compactcamera’s en spiegelreflexcamera’s. De naam “compactcamera’s” is ontleend aan hun uiterlijk, zeer compact dus. Compacts zijn de toestellen die alles zelf doen, gewoon kijk en klik werk. Als grote voordeel heeft dit soort camera dat ze heel handig te bedienen zijn en daarnaast ook zich steeds handig laten wegbergen omwille van hun formaat. Hun nadelen zijn: weinig artistieke mogelijkheden, niet verwisselbare lens en bovenal een onjuiste zoeker. Aangezien de zoeker van een compact - toestel niet door de lens zelf gaat maar door een camerahuis, zitten er altijd afwijkingen tussen wat je ziet en wat je fotografeert. Meestal is je foto veel groter dan wat je ziet door je zoeker. Bij fotografie van vissen is een perfecte afkadering van primordiaal belang, vandaar dat compacts minder geschikt zijn voor visfotografie. De foto’s die je met dit soort camera’s maakt zijn in 99% van de gevallen goed, alleen moet je de afwijking van de zoeker er voor lief bij nemen. Tegenwoordig zijn compacte zoomtoestelletjes erg in trek. Het is een gewoon compact toestel waarop een zoomlens is gemonteerd, hoe meer je zoomt, hoe groter de afwijking van de zoeker zal worden en voor close-ups zijn ze niet echt geschikt. Voor de gebruikelijke vakantiekiekjes is dit wel een ideaal soort toestel.

De tweede en voor ons belangrijkste groep omvat de spiegelreflexcamera’s, wat een heel moeilijk woord is voor een kleine lading. Een spiegel die het beeld van de lens opvangt, spiegelt het beeld in de zoeker (zie illustratie). Wanneer men de ontspanknop indrukt, dan klapt deze spiegel zich naar beneden zodat het licht de gevoelige laag van de film kan belichten. Vandaar dus de “spiegel - reflex” - term. Aangezien de zoeker je het beeld toont zoals de lens het ziet, krijg je altijd een juiste weergave van je afkadering en van je uiteindelijke resultaat. SR (spiegelreflex) toestellen hebben meer artistieke mogelijkheden en je kunt bij de meeste toestellen kiezen tussen: volautomatisch, halfautomatisch en volledig manueel fotograferen. De meeste SR-camera’s hebben de mogelijkheid tot het monteren van een andere lens. Als topmerken denk ik onmiddellijk aan Nikon, Canon, en Minolta al moeten toestellen van Olympus of Pentax (en nog wel enkele merken) er bijna niet voor onder doen.

Waar een compactcamera al vanaf 2.000 fr te koop is zul je toch gauw 12.000 fr moeten neertellen voor een beetje SR-camera. Aan u de keus.

Welke lens dien ik bij mijn toestel te kopen?

Tegenwoordig is worden de meeste toestellen als een “kit” verkocht, waardoor ze prijsgunstiger worden tegenover losse componenten. (Bijvoorbeeld de kit van Canon EOS 500 + 35 - 85 lens voor net geen 15.000fr) De lens is het allerbelangrijkste onderdeel van een toestel. De fotocamera zelf is een zwart doosje dat lichtdicht is afgesloten met daarin wat elektronica, het body van de camera heeft zelf niets aan de kwaliteit van je foto in te brengen, de lens echter des te meer. Een lens moet zuiver van glas zijn, mag het beeld niet (of zo min mogelijk) vervormen, moet zoveel mogelijk licht doorlaten, moet scherpe foto’s nemen en nog veel meer.

Op een lens staan een paar gegevens op de zijkant genoteerd, eerst de brandpuntsafstand of bij een zoomlens het bereik van die brandpuntsafstand. Bijvoorbeeld: 50mm of 28 - 70 mm, de eerste is een vaste lens met een brandpuntsafstand van 50 mm, de tweede lens is een zoomlens met een bereik van 28 mm tot 70 mm. Een lens met brandpuntsafstand 28 mm is een breedhoeklens (m.a.w. fotografeert in een heel brede hoek). Een lens echter met een brandpuntsafstand van 200 mm is een telelens en neemt beelden zoals door een verrekijker. Daaronder staat nog een getal of getallen in het geval van een zoomlens. Bijvoorbeeld: 1:2.8 of 1:2.8 - 4.5. dit is het minimumdiafragma, maar daarover later meer. Neem gewoon als norm : hoe lager dit getal hoe hoger de kwaliteit van deze lens is en ook van de prijs.

Een 35 mm - 70 mm lens zou ik als een goede allround lens bestempelen, waarmee je zeker als beginnend fotograaf al heel eind op weg kunt geraken. De 35 mm stand fotografeert breedhoek en de 70 mm is net geen tele.

Eén van de belangrijkste criteria bij de aankoop van een lens is de prijs, want nergens ligt prijs/kwaliteit zo dicht bij elkaar als bij lenzen. Je krijgt waarvoor je betaalt, niets meer, niets minder. Verwacht nooit van een Tamron of Sigma lens dezelfde kwaliteiten als van een Nikkon of Canon objectief. Een goede standaardlens zoals 35 - 70 kost gauw 8 à 10.000 fr alvorens je kwaliteit hebt. Voor telelenzen liggen de zaken eventjes anders. Denk niet dat je voor 15.000 een topkwaliteit teleobjectief zult vinden. Om het eenvoudig te houden, blijf bij de topmerken (Canon, Nikon, Olympus) als je kwaliteit wilt en vermijdt merken als Sigma of Tamron. Als je geldbeugel dit toelaat tenminste! Ikzelf heb een lens van Tokina, niet echt duur en toch goed, al merk je het verschil met eenzelfde lens van een grootmerk. Laat lenzen met een heel groot bereik links (bv. : 28 - 105) liggen, zij vervormen veel en hebben meestal meer licht nodig dan een normale lens voor eenzelfde resultaat.

Wat is het diafragma?

Het diafragma regelt de hoeveelheid licht die op de film inwerkt. Het diafragma wordt uitgedrukt met een getal (van 1 tot 64) Laat mij verduidelijken : door een klein gaatje (klein diafragma / groot diafragmagetal bv. 32) kan minder licht dan door een groot gat (groot diafragma/ klein diafragmagetal bv. 2.8) Je kan bij manueel fotograferen zelf het diafragma aanpassen door aan de diafragmaring op je lens te draaien. Bij automatisch fotograferen dient men de diafragmaring terug te vergrendelen met de “vergrendeling van het minimumdiafragma”, je toestel regelt dan zelf het diafragma.

Wat is de sluiter en sluitertijd?

De sluiter is het gordijntje van metalen plaatjes dat razendsnel opengaat wanneer je afdrukt. De sluitertijd is de tijd dat het gordijntje openblijft alvorens het weer dichtklapt, voldoende om de film te belichten. Een sluitertijd van 1/15 sec. is een lange sluitertijd, 1/500 sec. is een zeer korte sluitertijd. Als maatstaf voor scherpe foto’s neem je best je maximum sluitertijd niet langer dan het getal van de brandpuntsafstand. Dus, als je een brandpuntsafstand hebt van 60 mm dan zou een sluitertijd van 1/60 sec. voldoende moeten zijn om zonder statief een scherpe foto te nemen. Bij 30 mm zal dit dus 1/30 sec. zijn en bij 125 mm - 1/125 sec. Ga je langere sluitertijden gebruiken dan wordt een statief onontbeerlijk.

De relatie tussen de sluitertijd en het diafragma :

De grootte van het diafragma (de grootte van het gaatje) bepaalt, zoals we reeds weten, de hoeveelheid licht die we binnenlaten door de lens. Dus voor een klein diafragma (bv. 16) zullen we veel meer tijd nodig hebben om eenzelfde hoeveelheid licht door te laten als bij een groot diafragma (bv. 4). Hoeveel juist? Dat is makkelijk te berekenen. De diafragmawaarden zijn zo gemaakt dat het bij het eerste hoger liggende diafragmagetal de hoeveelheid licht precies de helft is, twee getallen hoger betekend ¼ van de hoeveelheid licht. De volgende figuur brengt zeker uitkomst :

Nu zul je waarschijnlijk afvragen waarom we al deze combinaties nodig hebben, wanneer ze toch allen hetzelfde resultaat geven. Wel, ogenschijnlijk geven ze hetzelfde resultaat, de praktijk verklaart het tegendeel. Tenslotte bepaalt de sluitertijd de scherpte of de wazigheid van een foto terwijl het diafragma de scherpte - diepte regelt.

Welke belichtingstijd is nu de juiste?

De belichtingstijd is afhankelijk van het onderwerp dat we wensen vast te leggen. Bij statische beelden zoals bergen of een stilleven kan men gerust een statief en een lange sluitertijd gebruiken. Bij foto’s van voetgangers, auto’s, sport, enz.. liggen de zaakjes wel eventjes anders; hier heeft mijn een korte sluitertijd nodig om een scherpe afbeelding te maken. Normale trophy-shots (man met vis) neem je best een betrekkelijk snelle sluitertijd, niemand is in staat om een 1/4 seconde onbeweeglijk te blijven. Bij slechte lichtomstandigheden (avond, zwaarbewolkt) zul je aangewezen zijn op je invulflits om alsnog een scherpe foto te nemen. (op het gebruik van de flits kom ik later nog terug)

Wat is scherpte - diepte en hoe ga ik ermee om?

Wanneer men een lens scherpstelt op een onderwerp, dan zullen alle andere voorwerpen die zich op een andere afstand van de lens bevinden dan het onderwerp zich onscherp laten fotograferen. Deze onscherpte wordt veroorzaakt omdat de lichtstralen die van deze voorwerpen terugkaatsen niet als een punt op de film terechtkomen maar als cirkels (hun snijpunt ligt voor of achter de film); dit soort cirkels noemt men verstrooiingscirkels. Dat wij ondanks dit feit toch scherpe driedimensionale onderwerpen scherp kunnen afbeelden komt omdat onze ogen zich laten bedriegen. Wanneer de verstrooiingscirkels klein genoeg zijn, werken zij nog steeds als punten en daardoor lijkt de door de cirkels belichte delen van de foto vooralsnog scherp.

Door diafragmeren (kleiner diafragma) worden de door de lens vallende lichtstralen vernauwd, daardoor worden ook de verstrooiingscirkels kleiner. Dat heeft tot gevolg tot nu een groter scherptedieptebereik verkregen wordt.

Volgende keer meer over afkadering, films en als er nog plaats en tijd over is nog wat over effecten en enkele tips en wenken. Tot volgende keer

Mathieu Baert